Vroeger wilde ik dolgraag volwassen worden. Ik zou groot groeien, mooie volzinnen leren spreken, een huis bouwen en mijn roedel kinderen een thuis bieden. Ik zou antwoorden vinden op alle grote levensvragen die ik mezelf toen nog niet eens stelde en op een zeker moment kon ik het ontwikkelen staken, omdat ik simpelweg uitontwikkeld en een oude wijze vrouw geworden was. Ik wilde dat allemaal zo graag dat ik onlangs dacht dat het zo ver was, dat ik af was, en ik prees mezelf gelukkig. Nu zou ik voorzichtiger zijn en zeggen dat je je in principe al gelukkig mag prijzen wanneer je meestal tevreden en sóms gelukkig bent.
Het gebeurde natuurlijk net op de dag dat ik weer eens een ouderwets romantisch afspraakje had. Opeens kwam er niets anders dan gebrabbel uit mijn mond. Het romantisch perspectief van mijn afspraakje verviel bijna direct, hoewel mijn gestamel en gehakkel de jongeman in kwestie niet eens heel erg leek af te schrikken. Mij des te meer. Ik probeerde me nog met een glibberig gegoochel van idiote bijzinnen – in strekking én aantal – te redden, maar bij de inzet van zo’n zin al wist ik; ik ben verloren. Van de fluimen gedachtespinsels in mijn hoofd kon ik met de beste wil van de wereld geen chocolade meer maken. Alles deed zich voor als een echo van wat ik ooit dacht zeker te weten, van al mijn aangenomen overtuigingen waren slechts de contouren nog overgebleven. Mijn geest was stom geworden. En is dat nu nog.
Ik ben nog lang niet af.