Ik heb sinds jaar en dag een Vriend. Vriend is woest aantrekkelijk en uitzonderlijk getalenteerd, natuurlijk. Vriend houdt me vast, bij de les en tevreden.
Zo kan ik op een droeve werkdag met een gerust hart rekenen op een berichtje met een foto van hem op de wc van een of andere openbare gelegenheid. Hij kijkt steevast guitig de camera in , nèt op het moment dat het breedste stuk zijn weg naar buiten baant. Ik heb al een behoorlijke verzameling van die prentjes. Ik spaar ze om ze hem uiteindelijk, als we gaan trouwen, in boekvorm cadeau te doen.
Vriend en ik, wij houden van het kleinste kamertje. We gaan er altijd samen heen en bespreken er het leven. We waarderen de grootte van elkaars legsels en we knippen ook elkaars teennagels, drukken elkaars puisten uit en ruften om het hardst. Vriend en ik zijn, zonder twijfel en zonder enig overdrijven, ontzettende viespeuken.
Kleine Zus heeft mij aanvankelijk nog gewaarschuwd; alles leuk en aardig, maar juist die viezigheid gaat je op den duur het meeste tegenstaan. Dat was een grove leugen. De oksel van Vriend, ik zou erin willen wonen. Als Vriend de hort op is, dagen in een hotel in kleinzielige stad zit of voor mij een presentje aan het kopen is – gewoon, zomaar – dan mis ik zijn geuren ontzettend. Wij stinken de toekomst in.