Zolang als ik me kan herinneren knoei ik op de wc. Ik sta op, droog af, trek door en zo gestaan – met mijn gezicht naar de pot – valt mijn oog steevast op één klein druppeltje dat zich als een tegendraadse puber op de bril heeft genesteld. Je zou zeggen dat ik inmiddels wel gewend ben geraakt aan die ongenode gast en eventjes wacht met doortrekken tot ik met een stukje wc-papier mijn gang heb kunnen gaan, maar op de een of andere manier verrast het me nog steeds. Dientengevolge ben ik altijd genoodzaakt om terwijl de spoelbak leegloopt een stukje van de rol te scheuren, het zo te vouwen dat ik niets aan mijn handen krijg, de druppel te lijf te gaan én tot slot het vervrommelde papiertje aan het laatste restje spoelwater mee te geven. Het is een hele klus dat binnen de gegeven tijd voor elkaar te krijgen, kan ik je verzekeren.
Onlangs had ik eens de tegenwoordigheid van geest wat langer uit te hangen. Trots als een pauw draaide ik me naar de pot en drukte vol-automatisch de spoelknop in toen mijn oog getrokken werd door iets glimmends op de vloer. Het was mijn druppel. Op de vloer. Nog gehaaster dan ander griste ik naar de rol en trok zo hard dat er geen velletje losliet maar een hele stroom aan papier door de kleine ruimte vloog. Ik graaide wat bij elkaar en stootte al doende mijn knie aan de afvalbak en mijn elleboog aan de deurklink. Het water kolkte in de pot, haast was geboden, dus voor pijn was geen tijd. Het werd een slachtveld, werkelijk.
Zo kwam ik mank en verhit uit het kleinste kamertje. Dit nooit meer, dacht ik nog, en het toiletbezoek daarop lag mijn druppel dan ook keurig op de bril. Fijn, als de dingen gewoon bij het oude blijven.