Ik draag mijn ring weer. De inscriptie zou nu natuurlijk moeten luiden “wees dan maar zelf trouw aan jezelf”, maar goed. Ik heb gezegd.
Wanneer je in de rouw bent, is het dragen van een ring het beste wat je kunt doen. Geen kerel waagt zich tegenwoordig nog aan een getrouwde vrouw en als ‘ie toch zo stom is, dan altijd nog met het veilige idee dat het wel bij wat flirten zal blijven. Zo heb je als single vrouw alle tijd het verleden eens rustig te overdenken.
En toch, ik lijd niet meer zoals vroeger. Vroeger at ik tenminste niets meer – zo nu en dan een banaan-, sliep ik slecht en liet ik alles wat ik zorgvuldig had opgebouwd met een enorme rigueur en met onmiddellijke ingang uit mijn handen kletteren wanneer ik werd bedrogen dan wel bedrogen had. Maar nu doet het scheiden me- deze week dan – weinig. Ik ga op tijd naar bed, poets zelfs mijn tanden voordien – behalve gisteren dan-, eet heel gezond en drie keer per dag, ik ben niet aan de drank gegaan en ik gooi mijn lijf ook niet te grabbel in een poging de vorige liefde uit mijn systeem te wissen. Ik heb zelfs mijn slaapkamer opgeruimd en de po geleegd. Behalve dat ik hieruit kan opmaken dat ik inmiddels een reëel beeld heb opgedaan van wat liefde is en hoe het kan verlopen, vraag ik me nu het volgende af:
Als nu blijkt dat mijn verdriet mij in zulke spaarzame mate teistert omdat ik in feite een gedesillusioneerde oude vrijster aan het worden ben die van ellende maar het eerste heerschap dat aan komt waaien binnenhaalt, hoe keer ik dat dan weer ten goede? Wat ik eigenlijk vraag; welke liefde is in het vervolg groot genoeg om op in te zetten? En als ze niet meer zo groot gemaakt worden als gewenst, de liefdes, doordat ik ouder word en me niet snel meer van mijn stuk laat brengen, wat dan beste lezer, wat dan?
Mijn ring moet op een gegeven moment weer af, zoveel is wel duidelijk. Maar nog even niet hoor, nog even niet.