Mijn dokter ziet mij graag komen.
“Ah, ben je daar weer?”, “Dag dokter. Ik ben zo misselijk, ik bloed, ben duizelig, er hangt een dingetje uit mijn kont. Dokter, ik heb denk ik kanker.”
En dan is het altijd lachen geblazen. Mijn dokter vindt mij en mijn klachten blijkbaar heel geestig.
Vooruit dan maar, laat je broek zakken, trek je truitje uit, even kuchen. En dan stuurt hij me steevast met een bemoedigend schouderklopje en een laatste schaterlach naar huis. “Gezellig weer.”